Waarom was serve-and-volley zo populair?
|Lard van Boeckel
Er is een manier om de verandering te zien zonder ook maar één statistiek te lezen. Kijk naar waar het gras op Wimbledon slijt.
“Je ziet de looppaden op de baseline, van links naar rechts,” zegt Huub van Boeckel. “En als je films kijkt van Wimbledon uit de jaren tachtig, dan zie je het looppad van achter naar voor lopen.”
Zelfde toernooi, dezelfde twee weken, hetzelfde gras. De spelers bewogen simpelweg in een andere richting.
Huub speelde op de tour in de late jaren zeventig en de jaren tachtig en omschrijft zijn eigen spel als zeer aanvallend, met de volley als zijn beste slag. We vroegen hem waarom vrijwel iedereen zo speelde, en waarom vrijwel niemand dat nu nog doet.
De rackets bepaalden de keuze
Het eerste antwoord is niet tactisch. Het is materieel.
Houten rackets gaven een tragere bal, en een tragere bal verandert de rekensom van een punt in twee richtingen tegelijk. Vanaf het achterveld werd het moeilijker om een tegenstander kapot te slaan. Aan het net werd het makkelijker, omdat de bal aankwam voordat hij zijn passeerslag kon organiseren.
“Je kon vanuit het achterveld veel moeilijker een punt scoren,” zegt Huub. “En je kon aan het net veel makkelijker een punt scoren, omdat die bal veel sneller aan het net kwam.”
Naar voren komen was dus geen durf. Het was de logische keuze, en het materiaal maakte dat zo.
Hij heeft die stelling recenter getest dan de meeste mensen die hierover schrijven. Na een toernooi met houten rackets was zijn oordeel kort: je kunt gewoon minder hard slaan.
Gras was toen een andere ondergrond
Op gras kwam daar een tweede factor bovenop, en die is sindsdien bewust weggewerkt.
Het gras was in de jaren tachtig sneller en de stuit lag merkbaar lager, waardoor lange rally’s moeilijk waren en serve-and-volley het voor de hand liggende antwoord was. Wimbledon heeft de banen sindsdien langzamer gemaakt, een verandering die in het eigen onderzoek van de club is vastgelegd.
“Dat gras hebben ze veranderd,” zegt Huub. “Ze hebben het gras langzamer gemaakt.”
Die lage stuit verklaart ook een slag die samen met de bijbehorende speelstijl is verdwenen. Een slice bleef laag en schoot door, wat op snel gras bijna onspeelbaar was.
De zaak Wilander
Het duidelijkste bewijs dat de snelheid van de ondergrond bepalender was dan talent, is één enkele carrière.
Mats Wilander werd nummer één van de wereld en won de Australian Open, de US Open en Roland Garros. Op Wimbledon kwam hij er nooit aan te pas, en Huub wijt dat rechtstreeks aan hoe snel de banen daar waren.
Wat het argument sluitend maakt, is dat Wilander wél een Grand Slam op gras won. De Australian Open werd tot 1987 op gras gespeeld, en hij won hem twee keer.
“Maar omdat de grond daar veel droger is, omdat het warm weer is, stuiterde die bal veel hoger,” zegt Huub. “Waardoor het voor hem veel makkelijker was.”
Dezelfde ondergrond, een ander klimaat, een andere uitkomst. Een baselinespeler kon winnen op droog Australisch gras en niet op vochtig Engels gras.
En op gravel en hardcourt?
Dezelfde logica, zonder het stuitargument. De beperkende factor was overal hoe hard een speler kon slaan met het beschikbare materiaal, en dat was niet hard genoeg om vanuit het achterveld punten af te maken.
Waarom het verdween
Niet omdat het spelers is afgeleerd, maar omdat het alternatief eindelijk beschikbaar kwam.
“Die jongens slaan gewoon vanaf de baseline, of het nou de backhand of de forehand is, zo hard,” zegt Huub over het moderne spel. “Die kunnen gewoon vanaf de baseline punten scoren.”
Hij is precies over wanneer dat waar werd, en dat is later dan de meeste mensen denken. Niet in de jaren zeventig, niet in de jaren tachtig en ook niet in de vroege jaren negentig. Het grootste deel van die periode ging het volgens hem simpelweg niet vanuit het achterveld.
Toen het wel ging, hield het net op de efficiënte plek te zijn. Het slijtpatroon op het gras van Wimbledon draaide negentig graden, en dat is zo gebleven.